Uitgave van de Protestantse Gemeente Zoetermeer

VERKLAREN EN RAKEN

‘De preek’ in historisch perspectief




TIJDLIJN De geschiedenis van het preken in onze kerken begint in de Bijbel. Denk aan de toespraken van Mozes tot zijn volk, de redevoeringen van de profeten, de Bergrede van Jezus en de brieven van Paulus. Het zijn allemaal voorbeelden van preken waarin Gods waarheid wordt verkondigd of uitgelegd.

Vroege Kerk
Van de kerkvaders in de eerste eeuwen na Christus wordt vooral Augustinus, leraar in de wel­sprekendheid, geroemd om zijn preken. Ondanks dat voor Augustinus de Bijbelse waarheid belangrijker is dan de welsprekendheid, krijgt het onderwijzen, het raken van het gemoed en het in beweging brengen – basis­regels uit de retoriek – in zijn preken een belangrijke plaats. Preken hebben door de eeuwen heen steeds een ander accent gehad. In het begin werden er brieven en verhalen van de eerste leerlingen van Jezus voorgelezen. Ook begonnen de voorgangers (priesters) toelichtingen hierop te schrijven. De betekenis van het levensverhaal van Jezus werd steeds weer uitgelegd voor de tijd waarin men leefde, met de vragen die er toen speelden. Vóór de Reformatie was de Bijbel ook niet beschikbaar in de taal van het volk en werd alleen maar voorgelezen in de kerk in het Latijn. 

De Reformatie
Tijdens de Reformatie met Luther en Calvijn, begin 16e eeuw, scheidde het protestantisme zich geleidelijk af van de Rooms-­Katholieke Kerk. Vanaf 1566 werd er heimelijk in de buitenlucht gepreekt, de zogeheten ‘hagenpreken’, omdat bijeenkomsten met een protestants karakter nog streng waren verboden. De hagenpreken, al snel populair, gingen vaak in tegen de gang van zaken in de Rooms-Katholieke Kerk en de vervolging van protestanten. De Reformatie heeft een belangrijke impuls gegeven aan het persoonlijk bijbellezen, onder meer omdat Luther de Bijbel 
in het Duits vertaalde zodat iedereen die zelf lezen kon.

De Nederduitse Gereformeerde Kerk
De Reformatie schoot diep wortel in het inmiddels van het Spaanse juk bevrijde deel van de Nederlanden en leidde in 1571 tot de oprichting van de Nederduitse Gereformeerde Kerk. Behalve voordelen bracht de bevoor­rechte positie van deze kerk ook nadelen met zich mee. Er was in de preken sprake van veel uiterlijke rechtzinnigheid, zonder enig gevoel voor eigen aandeel aan zonde en schuld en ook zonder ‘blij vooruitzicht’. Daarnaast waren er misstanden. Op het leven van veel predikanten en gemeenteleden was nogal wat aan te merken. Dronkenschap na afloop van de bediening van het Heilig Avondmaal kwam voor. 

De Nadere Reformatie
De Nadere Reformatie is een stroming in de Nederduitse Gereformeerde Kerk, waarvan de vertegenwoordigers in de periode 1600-1750 aandrongen op innerlijke doorleving van de gereformeerde leer en persoonlijke levensheiliging. De gereformeerde leer is in 1619 vastgelegd in de zogenaamde ‘Drie Formulieren van Enigheid’: Heidelbergse Catechismus, Dordtse Leerregels en Nederlandse Geloofsbelijdenis. De Nadere Reformatoren begonnen in hun preken met het aanwijzen van de volkszonden, waarbij het ontheiligen van de zondag een grote plaats had. Ook het op lichtzinnige wijze gebruik maken van de sacramenten werd door hen als een grove zonde aan­gewezen. Zij riepen in de preken op tot boete en berouw. In brede zin preekten zij een doorwerking van de reforma­torische beginselen in gezin, samen­leving, kerk, politiek en staat: zuiverheid in de leer van de Reformatie moest verenigd worden met een overeenkomstige zuivere levenswandel. Niet alleen de leer, maar ook het persoonlijke en maatschappelijke leven moest ‘ge-re-formeerd’ worden.

Bevindelijke prediking
In de Nadere Reformatie maakte de prediking een ontwikkeling door. De zogenaamde bevindelijke prediking was gericht op het al of niet behoren tot ‘de kinderen van God’. Kenmerkend voor de preken uit die tijd was het onderscheid maken tussen zaligmakend ‘waar geloof’ en ‘onwaar geloof’. Zo maakte men een scheiding onder de hoorders, namelijk die van de wedergeborenen en de niet-wedergeborenen. Tot de wedergeborenen behoorden de ‘vinders’: zij die in Christus geloven. Tot de niet-wedergeborenen rekende men: de ‘schijnheiligen’, onverschilligen, de mensen ‘zonder kennis’ en de liefdelozen. Door het noemen van geloofskenmerken konden de hoorders ondervinden tot welke groep ze behoorden. In 1816 ging de Nederduitse Gereformeerde Kerk over in de Nederlands Hervormde Kerk.

De Afscheiding
In de 18e en 19e eeuw kreeg de Verlichting steeds meer invloed in de kerk. Geloof en wetenschap botsten. De geschriften van de theologen uit de Nadere Refor­matie bleven alleen nog binnen speciale, veelal kleinere geloofs­gezelschappen in de belangstelling. In 1834 voltrok zich de Afscheiding, gericht tegen de Verlichtingsinvloeden en ontstond de zogenaamde ‘gereformeerde gezindte’. Verschillende kerken van deze gezindte splitsten zich nadien verder af, omdat er voortdurend een verschil in waardering van de erfenis van de Nadere Reformatie bleek. Kenmerkend voor hun prediking bleef, naast de Bijbel, het hanteren van de Drie Formulieren van Enigheid als bron en belijdenis.

Sprong naar het heden
Na een Samen op Weg-proces ontstond in 2004 de Protestantse Kerk in Nederland: de (synodaal) Gereformeerde Kerk en de Nederlandse Hervormde Kerk werden weer herenigd. De kerkorde van de ‘nieuwe’ Protestantse Kerk stelt in artikel VII, dat de gemeente is geroepen door haar Heer en de gemeente samenkomt tot de lezing van de Heilige Schrift en de prediking van het Evangelie. 
De prediker moet voorafgaand aan de preek de bron, de Bijbel, bestuderen om de stem van Christus te verstaan. In de preek moeten vervolgens twee aspecten naar voren komen: wat de tekst via de prediker zegt en wat de tekst kan doen bij de hoorders. Vaak komt dat erop neer dat allereerst de Bijbel in de preek wordt verklaard en dat vervolgens wordt gestimuleerd hoe de luisteraar het geleerde kan toepassen. 

Jan Blankespoor