Uitgave van de Protestantse Gemeente Zoetermeer

HOOPGEVEND PERSPECTIEF

Psalmen en hun poëzie




‘Indien ik de troost en verquikking der Psalmen niet hadde, Ik zoude vergaan zijn in mijn ellende’

schreef een van de grootste Nederlandse dichters Joost van den Vondel na de dood van zijn zoon aan een vriend. Troost voor Joost, zoals voor velen voor hem en na hem tot op de dag van vandaag de psalmen troostend, inspirerend, en een houvast kunnen zijn. Huub Oosterhuis verwoordt het nu zo: ‘Psalmen zijn onweerstaanbaar. Herkenbaar, vol afgrond en zevende hemel en recht voor zijn raap.’

Onze wereld verandert voortdurend, maar gevoelens van mensen als blijdschap, verdriet, liefde en haat zijn door de eeuwen heen hetzelfde gebleven. Uitingen van die gevoelens blijven actueel, ook al zijn ze eeuwen oud. Zo worden de psalmen nog steeds gelezen, gebeden en gezongen en bieden ze houvast, troost en vertrouwen. Het is voor velen een bekende verzameling van teksten, die aanspreken door wat er staat en hoe het er staat.
De psalmen behoren tot de oudste gedichten van de wereld. De 150 gedichten, gebeden en gezangen in het boek Psalmen zijn tussen 1000 en 150 jaar voor Christus in het Hebreeuws geschreven en zijn na de Baby­lonische ballingschap verdeeld in vijf psalmboeken. Lange tijd werd aangenomen dat koning David de dichter van de psalmen was, maar tegenwoordig gaat men ervan uit dat het niet vast te stellen is welke van de gedichten op zijn naam mogen staan en welke door anderen zijn geschreven. 

Bij de eerste blik nodigen de psalmen al uit om ze als poëzie te lezen. In de Nieuwe Bijbelvertaling is de opmaak als die van een gedicht, namelijk een indeling in versregels, strofen, witregels en ‘witruimte’. Voor de Nederlandse versie van deze gedichten was wel een vertaalslag nodig, omdat in de Hebreeuw­se tekst de strofen niet visueel zijn aangegeven, waardoor wel eens afgeweken werd van de oorspronkelijke tekst om het poëtische effect te bewerkstelligen.
Maar voor poëzie is niet alleen de opmaak van betekenis. Een dichter gebruikt de taal met een persoonlijke intensiteit, hij wil met die taal ‘binnenkomen’ bij de lezer of hoorder. Daarvoor staan poëtische middelen tot zijn beschikking, die we zowel in de bronteksten als in de vertalingen kunnen vinden, zoals klank­patronen, ritme en beeldtaal. 
Al in de eerste psalm vinden we een mooi voorbeeld van beeldend taalgebruik. Van een man die 
geluk vindt in de wet van de Heer, wordt gezegd:

[…] Als een boom is hij, 
wortelend waar water stroomt,
die vrucht draagt in het seizoen;
zijn gebladerte zal niet 
verdorren. […]
‘De Psalmen‘, Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde

Naast het veelvuldig gebruik van beelden kent de Hebreeuwse poëzie het parallellisme, wat in vertalingen en bewerkingen in het Nederlands vaak is gehandhaafd. Het gaat om een soort ‘gedachterijm’, twee opeenvolgende versregels die dezelfde of juist een tegengestelde gedachte uitdrukken. Samen geven de twee versregels de volledige gedachte weer, vormen ze een evenwichtig en volwaardig geheel. Ze brengen bovendien nuancering en verheldering aan.
Een voorbeeld van tegenstellend parallellisme vinden we in de vertaling van Psalm 30:6: 
 
een oogwenk 
duurt zijn gramschap,
een leven lang zijn goedheid;
de avond daalt in tranen,
met jubel komt de morgen.
‘De Psalmen‘, Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde 

In de vroegste tijd van de psalmen werden deze niet stil gelezen, maar halfluid gereciteerd, ze 
werden voorgedragen of gezongen onder begeleiding van muziek­instrumenten. De psalmen, zoals die ons tegenwoordig zijn over­geleverd, zijn voor een groot deel op muziek gezet voor liturgisch gebruik. In de oudste versies staan regieaanwijzingen voor stem en muziekinstrument om zang en samenzang te leiden. 
Het veel voorkomende woordje ‘sela’ midden in een psalm vermoedt een tussenspel, ‘een plaats om stil te houden en het woord van de psalm vlijtig te overdenken; want zij eist een rustige en stille ziel, die begrijpen en vatten kan wat de Heilige Geest haar op die plaats voorhoudt en suggereert’, zegt Luther.
Meestal werden de psalmen in wisselzang gezongen. Het parallellisme van twee versgedeelten maakte dat eenvoudig mogelijk en zorgde ervoor dat de zangers hetzelfde met andere woorden zongen. Gezongen poëzie!

Hoogten en diepten van de menselijke ervaring vragen om geuit te worden. Muziek en poëzie waren en zijn daar bij uitstek geschikt voor. Psalmen zijn gedichten die hoop geven voor de toekomst. Het zijn niet alleen liederen waarin we ons kunnen herkennen, maar die ons laten zien dat er perspectief is. 

Hanneke Lam 

met lof gesproken – psalm 87
Kom mee
je hoort erbij
je bent geteld
en hebt het hemels 
burgerrecht
ik weet een stad
waar hij ook wonen zal
en dus
een stad voor iedereen
een stad
met engelenmaat gemeten
vol van lof zingt men
van bronnen die hij geeft
de poorten sluiten nooit
je woont er in het licht
kom mee
hij wacht
Henk Pietersma in: ‘Laudate. Psalmen en beeld’