Uitgave van de Protestantse Gemeente Zoetermeer

GELOOFSOPVOEDING

Leren geloven, hopen en liefhebben




INTERVIEW • Geloven, hopen en liefhebben zijn voor de Protestantse Kerk in Nederland drie met elkaar verbonden kernwoorden. Benieuwd naar haar visie op geloofsopvoeding spraken we Corina Nagel, als verbindend specialist School en Kerk werkzaam voor de landelijke Diensten­organisatie. ‘Leren’ is de leidraad.

Waarom leren geloven, leren hopen en leren liefhebben?
‘Geloofsoverdracht en inwijding speelt overal, zowel voor bestaande gemeenten als pioniersplekken, zowel voor volwassenen als voor kinderen en jongeren. Wij ontwikkelen bij de Dienstenorganisatie van de PKN prachtige programma’s, maar er is behoefte aan een duidelijke visie op leren. We krijgen veel praktische vragen: ‘Welke werkvorm is het beste voor …’, ‘Hoe krijg ik jongeren weer naar de catechese?’. Waarom- en waartoe-vragen worden veel minder gesteld, terwijl deze aan die wat- en hoe-vragen vooraf zouden moeten gaan.’

In onze kerken is altijd veel aandacht voor de preek op zondag. Voor veel mensen is die qua geloofsopvoeding blijkbaar voldoende, want er is relatief weinig belangstelling voor doordeweekse gespreksavonden en leerhuizen. Doen wij iets verkeerd?
‘Veel mensen hebben doordeweeks geen tijd of steken hun tijd in andere zaken dan de kerk. Het is een kunst bij deze realiteit aan te sluiten. Je moet je ook afvragen waar de leerbehoeften zitten. Misschien liggen die wel op een ander vlak dan wat je aanbiedt. Sluit de aangeboden vorm wel aan bij de mensen? Welk leerproces is goed voor een bepaalde groep mensen en om welke reden? Waartoe wil je mensen laten leren?
De richting waarin dat leerproces gaat is volgens mij te duiden als ‘mensen leren Gods genade te ontvangen en Gods liefde te beantwoorden en hoopvol deel te nemen aan Gods vernieuwing van de schepping’. Hoe de weg ernaartoe eruitziet hangt af van de leerbehoeften van de doelgroepen. Mensen moeten ook met elkaar in dialoog gaan. Voor jongeren bijvoorbeeld werkt het niet meer als je zegt: ‘zo is het en niet anders’. Je kunt beter mensen leren om te gaan met bronnen zoals de Bijbel en belijdenisgeschriften, met rituelen en met liturgie. Het wordt in de dialoog wel diffuser maar het is niet richtingloos, want je gaat steeds uit van bronnen die mensen tot zich kunnen nemen en gebruiken.’

Welke adviezen zou je de Zoetermeerse kerken willen geven?
‘Het is belangrijk om mensen te helpen zelf antwoorden te vinden op belangrijke levensvragen zoals ‘Waartoe ben je op aarde? Wat is de stip aan de horizon? Wat is belangrijk in je leven?’. Voor de manier waarop je dit kunt aanpakken, kun je kijken naar Jezus en de ontmoeting met de Emmaüsgangers. Jezus begon met meelopen, luisteren en vragen stellen. Pas toen ging Hij reageren.’

‘Schuren mag, wrijving kan ook glans opleveren’

Is het niet handiger, efficiënter, om geloofsopvoeding vooral op grotere groepen te richten?
‘Iedere groepsgrootte heeft zijn eigen waarde. Zo heeft een zondagmorgendienst de waarde dat je opgenomen wordt in een groter geheel, verbonden aan elkaar en aan God. Het samen beleven van een liturgie kan beter in een grotere groep. Maar een persoonlijk geloofsgesprek vraagt om een kleinere setting, daarin voelt men zich veiliger. En bij het kauwen op een steviger onderwerp mag de groep weer iets groter zijn, interactie is daarbij essentieel. Daar mag het wel een beetje schuren.
Diversiteit is een uitdaging! Laten we dat eens ombuigen naar een kans. Ook in de diversiteit heb je elkaar nodig. Denk aan de tekst in Efeziërs 3, waar staat dat je met elkaar de breedte, hoogte, lengte en diepte van Gods liefde beter kunt begrijpen. Bij diversiteit hoef je niet om bepaalde lastige thema’s heen te lopen, wrijving kan ook glans opleveren!’

Hoe voed je vandaag de dag kinderen en jongeren het beste in het geloof op, gevoegd bij het feit dat we in veel kerken weinig jongeren meer zien?
‘Dit probleem speelt in heel veel kerken. In een recent onderzoek bleek dat in één derde van onze kerken gemiddeld acht kinderen en jongeren deelnemen aan het jeugdwerk. Twintig procent van de gemeenten heeft eigenlijk geen jeugdwerk meer. We voelen in de kerken echt wel de pijn dat veel ouders hun kinderen hebben laten dopen, terwijl hun kinderen nu zeggen: ‘Mooi dat jullie steun aan de kerk hebben, maar voor mij is het niks.’
We moeten oppassen dat we tegen elkaar klagen en zeggen ‘Wat kunnen we hier nog aan doen?’, omdat dat geen recht doet aan alles wat er al gedaan is. Dat je hier niet veel meer van terug ziet, heeft alles te maken met de andere cultuur waarin we nu leven: secularisatie, multiculturaliteit, postmodernisme, entertainmentcultuur en polarisatie. Dat speelt allemaal een rol. Het heeft bijvoorbeeld het onderwijs veranderd. De driehoek kerk-school-gezin, waarbij je op drie plekken ongeveer hetzelfde meekreeg, is een smal driehoekje geworden. Je kunt je beter niet afvragen wat we fout hebben gedaan, want dan kom je in een sfeer van ‘Laten we weer wat gaan proberen’. Het risico is groot dat dat mislukt.

‘Loop mee en luister naar vragen en ervaringen’

Laten we ons eerder afvragen wat we kunnen betekenen met wat we nu hebben. Niet alleen voor de mensen op zondagmorgen in de kerk, ook voor de mensen die we kwijtgeraakt zijn, in het bijzonder de kinderen en jongeren. Wat kunnen wij met onze (soms beperkte) middelen wel betekenen, waardoor wij ons als gemeenschap voeden met Gods genade en hoe kunnen wij die doorgeven? Dan kom ik opnieuw terug bij Jezus en de Emmaüsgangers. Zoek de kinderen en jongeren op. Loop met ze mee, luister naar hun vragen en ervaringen en sluit hierbij aan.’

Zijn leren geloven, leren hopen en leren liefhebben gescheiden trajecten?
‘Nee, ze horen helemaal bij elkaar. Het is als een driepotige kruk: als je een van de poten weghaalt, dan valt de kruk om. Ze zijn alle drie nodig om te leren Gods genade te ontvangen, Gods liefde te beantwoorden en hoopvol deel te nemen aan Gods vernieuwing van de schepping.’

Jan Blankespoor